woensdag 27 februari 2008

SSRI’s: geen nieuws

Soms wekt wetenschap een verveelde geeuw bij me op.
Neem het ‘nieuws’ van de week: ssri’s helpen alleen zéér depressieve mensen, maar voor de meeste patiënten hebben ze geen nut. Aldus de uitkomst van een meta-analyse door een onderzoeksteam onder leiding van Irving Kirsch (overigens geen kleine jongen in het internationale depressie-onderzoek) gepubliceerd in PLoS Medicine. De wetenschappers zeggen dat de farmaceutische industrie alleen onderzoeken naar buiten heeft gebracht die hun producten in een goed daglicht stellen. Zij hebben de hand weten te leggen op niet gepubliceerde studies.
Verder is er weinig nieuws onder de zon.

Want al jaren blijkt uit allerlei onderzoek – trials, reviews, meta-analyses – dat bij de werking van ssri’s grote vraagtekens zijn te zetten. Maar onderhand is het alsof iemand beweert dat paracetamol niet werkt: de middelen zijn zo fashionable, zo ingeburgerd – ze zijn gewoon niet meer weg te krijgen. Zo weet ook iedereen allang dat serotoninetekorten geen rol spelen bij depressie. Als dat echt zo was dan hadden de farmaceuten allang verbeterde versies van de middelen op de markt gebracht. Tekort aan een neurotransmitter is gewoon een helder en eenvoudig marketingconcept.

En toch. Vraag het de psychiater in de praktijk, louter homeopathie is het nu ook weer niet. SSRI’s maken patiënten wel degelijk wat minder reactief, ze reageren langzamer en afstandelijker op prikkels en gebeurtenissen die hen anders emotioneel zouden overspoelen. De middelen sederen (een beetje). Is dat klinisch relevant? Soms wel, soms niet. Dat hangt af van het klinische oordeel van de medisch specialist. Kort door de bocht: Kirsch en zijn team zijn psychologen; misschien geven ze met hun harde conclusies psychiaters ongewild een argument in handen tegen de wens van de Nederlandse psychologen psychofarmaca te mogen voorschrijven. Die missen die klinisch-psychiatrische blik.

Voorspelling: ook Kirsch’ onderzoek zal aan de staande praktijk niets veranderen.

Henk Maassen

Links:
http://medicine.plosjournals.org/perlserv/?request=get-document&doi=10.1371/journal.pmed.0050045

http://www.pharmalot.com/2008/02/are-antidepressants-useless-researchers-say-yes/

2 reacties:

Anonymous Anoniem zei...

Bij een depressie dient er niet zomaar een SSRI of TCA te worden voorgeschreven. Uit diverse meta analyses en RCT blijkt inmiddels wel dat deze middelen werken bij ernstige depressies en minder bij milde depressies of dysthyme stoornissen. Ook een argument om psychologen de aanpassing in de Wet BIG om medicijnen voor te kunnen schrijven niet te honoreren. Ernstige depressies (met regelmatig optredende somatische co-morbiditeit komen doorgaans terecht in de tweede lijn bij een psychiater. Dit moet zo blijven. Bij de hermeneutische benadering wordt geprobeerd filosofisch naar het begrip depressie te kijken.
Als de wereld opgevat kan worden als de som van datgene waarop men zich richt of waartoe men zich verhoud zij er enkele basale vorm of structuurmomenten in te onderkennen. Zonder volledigheid te claimen kan men in ieder geval de structuurmomenten ruimte en tijd en zichzelf en de anderen onderkennen. De mens heeft altijd een verhouding gehad met tot tijd en ruimte tot anderen en tot zichzelf. Hoe ik mij voel of hoe ik de wereld opvat steeds verhoud ik mij op enigerlei wijze tot deze grootheden, dit levert als eerste punt van bespreking op: de verhouding tot tijd en ruimte.
Het ruimte kunnen innemen is steeds gezien als een wezenlijk bestanddeel van materie. Bij Descartes werd de geestelijke substantie opgevat als denken en het materiële substantie als uitgebreidheid in de ruimte. Wat ruimte inneemt en uitgebreidheid heeft is daarbij meetbaar en berekenbaar. Heidegger noemde dit het voorhanden zijn der dingen: voor zover zij voorhanden zijn, zijn zij meetbaar en objectiveerbaar. De dingen kunnen niet alleen voorhanden zijn,maar ook ter hand zijn bijvoorbeeld in hun functie als gebruiksvoorwerpen die verwijzen naar een wereld waarin zij worden gebruikt. Wat voorhanden is , heeft een bepaalde objectieve plaats. Wat daarentegen ter hand is heeft het karakter van nabijheid die niet betrekking heeft op een geringe geografische voorhanden afstand maar op een nabijheid in de vorm van nastaan. Men kan op deze wijze onderscheid maken tussen de fysische of geometrische ruimte en een geleefde ruimte die daar in zekere mate los van staat. De fysische ruimte is homogeen maar de geleefde of verinnerlijkte ruimte (espace vecu) is dat niet. De kortste afstand tussen twee punten is geometrisch bezien een lijn maar op intersubjectief vlak is de kortste afstand tussen personen niet per se een rechte lijn. Zoals men tussen de fysische en de geleefde ruimte kan onderscheiden kan men binnen de geleefde of verinnerlijkte ruimte ook een onderscheid aanbrengen. Het gaat om het verschil tussen bewustzijn van ruimte en de doorleving ervan. De georiënteerde ruimte is de ruimte waarvan men een bewustzijn heeft welk bewustzijn gestoord kan in onder meer bij neurologische of psychiatrische aandoeningen. De gestemde ruimte heeft betrekking op de wijze waarop het subject de ruimte doorleeft en zich verhoudt tot de verschillende dimensies van de ruimte. Deze dimensies van de fysieke ruimte maar toch is er een wezenlijk verschil . Het gaat niet om fysische correlaties maar om de dimensionaliteit van de geleefde ruimte: de breedte van het platte vak de hoogte daarboven en het centrum van waaruit het centrale perspectief krijgvorm krijgt.
Zoals het ruimte bewustzijn gestoord kan zijn kan ook de doorleefde of dimensionale ruimte gestoord zijn in de zin dat een subject primair vanuit de breedte vanuit de hoogte of vanuit centraal perspectief zijn leven vormgeeft. Ook is het denkbaar fa r de dimensionale ruimte zelf implodeert en dat verinnerlijking of subjectivering van de rukte nier meer of voldoende plaatsvindt. De tijd kan io een zelfde manier ontleed worden. Allereerst is er de uitwendige fysische of kosmologische tijd die lineair verloopt en van het verleden naar de toekomst is gericht wb wat verleden achter zich laat. Deze komen overeen met de fysische homogene o f geometrische ruimte. Naast deze uitwendige tijd is er een inwendige of geleefde tijd (temps vecu) die precies zoals de geleefde ruimte op haar beurt in tweeën uiteenvalt.
Onder de inwendige of innerlijke tijd valt allereerst het beleven van de tijd in de zin van het innerlijke bewustzijn waarin men besef heeft van heden verleden en de toekomst. Zoals het ruimte bewustzijn gestoord kan zijn kan ook het innerlijke tijdsbewustzijn waarin men besef heeft van heden verleden en toekomst. Zoals het ruimte bewustzijn gestoord kan zijn kan ook het innerlijk tijdsbewustzijn gestoord zijn wat bij psychiatrische stoornissen soms kan voorkomen. Onder de innerlijke tijd valt vervolgens de tijdelijkheid van het subject zelf voor zover dit leeft vanuit de drie dimensies van de tijd. Het kan primair vanuit het heden keven vanuit de toekomst of vanuit het verleden. Men kan hier spreken van een dimensionale tijd in onderscheid tot de lineaire tijd van de fysica en kosmologie parallel aan het onderscheid van een dimensionale ruimte en de fysische of geometrische ruimte. En zoals het tijdsbesef of tijdsbewustzijn gestoord kan zijn is het ook
mogelijk dat de tijdelijkheid van een subject zo gestructureerd is dat het bijvoorbeeld meer georiënteerd is op de dimensie van de toekomst of meer van heden of verleden. Ook is het denkbaar dat de dimensionale tijd zelf implodeert en verinnerlijking of subjectivering van de tijd niet meer of niet voldoende plaatsvindt.
Voorondersteld aan deze verstoringen is de overgang zelf van een fysische ruimte en tijd naar subjectivering daarvan hierin wordt de werkelijkheid omgevormd tot een betekenisvolle wereld met haar structuurmomenten van ruimte en tijd. Men kan op verschillende wijze met deze wereld om gaan waarbij verstoringen kunnen optreden waarop al geduid werd. Het gaat hier dus om de beschrijving van iemands wereld en wel in relatie tot structuurmomenten van ruimte en tijd.
Deze beschrijving is van uit de melancholische positie `te verklaren als vastgekleefd aan een verleden, een gefixeerdheid op het verleden vanuit een afgesloten zijn van de toekomst. Dit afgesloten zijn van de toekomst kan van uit de optiek van psychopathologie die zich oriënteert op een levensfilosofie opgevat worden as een ontbreken van levenskracht die normaliter als een vis a tergo ofwel een kracht in de rug het leven naar voren stuwt. Een melancholicus komt tot niets omdat de levenskracht die elk kunnen mogelijk maakt ontbreekt. De afgeslotenheid van de toekomst kan ook geduid worden vanuit ede fenomenologisch en antropologische tijdsproblematiek waar de dimensionaliteit centraal staat. een melancholicus komt vervolgens deze gedachtegang tot niets omdat kunnen een anticiperen ofwel een zich verplaatsen in de toekomst inhoudt waartoe hij nu juist niet instaat is . Het leven is een cirkelgang geworden waar het verleden zich met zekerheid ongewijzigd in de toekomst voortzet, Er heeft een soort kortsluiting voorgedaan tussen verleden en toekomst met een eliminatie of een implosie van het heden. Bij deze ‘klinisch psychiatrische blik’ dient te worden behandeld volgens de hermeneutische benadering en minder volgens de biologisch psychiatrische benadering als aanvulling op farmacotherapie. Wellicht kunnen psychologen hier nog wat van leren.

S.R. van der Boom, psychiater, bedrijfs- en verzekeringsarts.

28 maart 2008 17:15  
Anonymous Anoniem zei...

Lees het hele blog, pretty good

12 december 2009 08:49  

Een reactie plaatsen

<< Startpagina