De dokters van Brakman
“’Arts?!’ klonk het vanuit het duister, ik luisterde scherp en bespeurde een onmiskenbare hoon.’En een slechte!’ riep ik in een wankele poging zowel eerlijk als oprecht te zijn.”Een kenmerkende zin uit de roman Come-Back (1980) van de donderdag 8 mei overleden Willem Brakman. Dat Brakman zelf arts was, is niet algemeen bekend. In zijn vele romans – hij schreef er 51 tussen 1961 en 2004 – duiken dan ook nogal eens dokters op. Vooral dokter Van Heel keert in verschillende romans terug. Ook de zwakheden van het menselijk lichaam beschrijft hij op een manier die medische kennis verraad. Dat is vast niet bij iedereen bekend, omdat de boeken van Brakman de reputatie hebben erg ontoegankelijk te zijn. Men moet wel een groot liefhebber zijn van zijn schrijfstijl om de romans niet halfgelezen en onbegrepen terug te zetten in de boekenkast (overigens komt de Brakmanverzameling in mijn boekenkast voort uit de fascinatie van mijn vriend). Voor de doorzetters zijn in Brakmans boeken de mooiste passages terug te vinden over dokters. Deze spelen vaak in meer of mindere mate een dubieuze rol. Of dat iets zegt over zijn eigen vroegere bekwaamheid of optreden als arts is onbelangrijk. Als schrijver van fictie had hij immers de vrijheid om te doen wat hij wilde. Ook als dat misschien niet paste bij de mores van de medische wereld.
“’Ik vraag me wel eens af,’ ging hij verder, ‘zo’n afdeling als deze…. altijd ligt er wel iemand te sterven, interne is somber. Chirurgie is meestal vrolijker… bloemen… wuivende mensen aan de poort.’Zuster Grijp zweeg nog steeds en voor zover hij zijn ooghoeken kon vertrouwen raakte ze ook de koffie niet aan.’U heeft daar geen last van?’
‘Waarvan?’
‘Van de manier waarop? Dat vrouwtje in die hoekkamer bijvoorbeeld, ze kwam als vrouw binnen, nu is ze mager als een ram, een onrustig skelet onder een geel vel met snor en baard van de hormonenprikken.’’Van Asperen?’
Iedere naam is wel goed als het de mijne maar niet is en kunt u dat allemaal inslikken, die aftakeling… die beschaming van het einde, die God-is-liefde-manier zoals ik het noem?’
‘Nou, nou.’
‘Het is niet dat ik me verbeeld die vrouw te zijn, het is eerder een soort intuïtie. Ik ken dat gele hoofd met die snorharen. Het is wezenlijk van geen belang of zij daar nu ligt te sterven of ik straks, maar het is juist dat ik weer waarom ze daar ligt te rollen en te draaien met die ogen dat ik het zelf had kunnen zijn.’”
(Uit: Die ene mens, 1961, hoofdpersonage is Wim Akijn is in deze roman co-assistent. De roman Een winterreis uit hetzelfde jaar gaat over Akijn als medisch student)
“Gisteren leefde hij en was dement, wij zijn maar mensen van een dag, zoals de volksmond zo graag opmerkt. Maar deze volksmond hier heeft ook nog iets te zeggen. Bekijken wij hem nader, wat zien wij?’
Wunnemeiden boog zich over het blauw-bleke hoofd en keek.
‘Ik zie niets,’ zei hij.’Mogelijk,’ zei Wameling geheimzinnig; hij haalde een houten tongspatel uit zijn borstzak en wrong de mond wat verder open, met korte rukjes. ‘Rigor mortis voelt mijn hand… wie is de stijfste van het land… Zo, nu nog eens kijken.’In de diepte achter in de keel zag Wunnemeiden een geelgrauwe prop. Hij voelde het bloed in zijn benen zakken. ‘Een keelabces,’ zei hij verbaasd.’Precies,’ riep Wameling opgetogen, ‘goed gezien, een boterham… Onze vriend is gestikt. Hier nam de door ons zozeer gevreesde dood de gestalte aan van een boterham. Opmerkelijk overigens bij iemand met een papdieet, geen slimme vermomming maar wel afdoende.’”
(Uit: De weg naar huis, 1962)
“Hij moest languit op een tafel gaan liggen, de zuster waste zijn gezicht, ruw en doelmatig, daarna kreeg hij een doek over zijn hoofd met een gat erin. Hij kon niets zien. Toen hij niets meer zien kon, kwam de dokter die de wond van dichtbij bekeek. Zijn adem rook sterk naar sigaretten. Daarna liet hij de hemel drie maal splijten van de pijn; eerst sloeg hij een enorme spijker in het oog van Oud, roerde vervolgens wat rond in de wond met een gloeiende pook en zette tenslotte zijn hak op de kaak dat het kraakte. Onderwijl praatte de dokter met de benige zuster. ‘Haaien hebben geen zwemblaas,’ zei hij, alsof de benige zuster dat had tegengesproken, ‘als ze niet zwemmen dan zinken ze.’ De tangetjes klikten. ‘Hun vinnen zijn ook niet al te best, ze kunnen slecht wenden.’
‘Oemh…’ kreunde Oud, zijn vingers knelden om de rand van de tafel, uit het oog aan de wondkant dropen wat tranen.
‘Klaar,’ zei de dokter, als ik het had verdoofd had ik toch ook een paar maal moeten prikken.’ Toen het doek van zijn gezicht werd gehaald was de dokter verdwenen.”
(Uit: Kind in de buurt, 1972)
“De medicus legde bedachtzaam zijn pen neer. ‘Luister’ zei hij en ik herkende opeens weer de stem in de telefoon ‘u moet dat zo zien. De tijden dat wij onderscheid maakten tussen een begaafd geneesheer en een onbenul zijn voorbij. Bij de eerste piep of kuch spuiten beiden het beproefde en in zwang zijnde middel in en boeken hetzelfde resultaat. Voor velen, ook voor mij, is dat een hele opluchting, dat genezen in de veilige haven van de industrie en nou toch weer dat barokke gedoe… O nee! Ik zeg u, ga in een tehuis, in een bosrijke streek, Apeldoorn, Velp. Daar weten ze wel raad met zoiets, ze bouwen er planken omheen. Hoeveel dromen, vergezichten, angsten en visioenen heb ik al zien rukken en trekken tussen de planken en de riemen. Maar al dat onbegrijpelijke gaat zo vervelen. Als ik later in hun kist kijk in Avondrood, Avondrust of Avondstilte, dan denk ik altijd: “Braaf zo… dat is tenminste goed geregeld” en ik onderteken dankbaar de overlijdensakte. Wij behandelen geen mensen, dat is het grote misverstand, wij behandelen organen. Hier is uw recept, goede morgen.’ Ik groette, pakte het recept dat de sedimenten in mijn geest zou doen opdwarrelen en ging mijns weegs, in gepeins verzonken.”
(Uit: De Biograaf, 1983)
”’Uwe Hoogheid consulteert de arts?’ klonk het uit een traag omhoogrijzend hoofd. Een door het lijden overbelast, door en door vermoeid hoofd, dat Don Pasquale voor eens en altijd had uitgekozen. Zo vestigde hij de indruk alleen in het uiterste geval geroepen te kunnen worden.’Ik meen,’ zei de prinses, ‘vannacht door een collapsum te zijn bezocht. Nu voel ik me abattu.’
‘Ik wee,’ zei de arts, ‘zei de arts, ‘aalpastei en het stomachum,’ hij trok de mond misprijzend neer en liet de hand die hij voor de borst hield weifelend wiebelen en kantelen. ‘Een contrebalance, ik zal een decoctum laten brengen voor deze zinking en een carminativum om de druk der gassen te verminderen op de arteria principalis.’”
(uit: De gelukzaligen, 1997)
Simone Paauw

0 reacties:
Een reactie plaatsen
<< Startpagina