
Zaterdagavond. Een van mijn vrienden viert zijn veertigste verjaardag. Met z'n achten zoeken we een goed restaurant op. In de geanimeerde gesprekken valt al snel de term 'ADHD'. Wat blijkt? Drie van de acht uit dit gezelschap hebben afgelopen jaar die diagnose te horen gekregen. Dat is 37,5 procent! Of liever vier van de negen (45 procent!) als we de vriendelijke ober meetellen die zich spontaan in het gesprek mengt met de opmerking 'Strattera, dat is echt geweldig!'
Ik zit toch even met mijn oren te flapperen. Dat het aantal voorschriften voor ADHD-medicatie al jaren stijgt, is bekend. Tussen
1997 en
2006 met maar liefst 632 procent. Maar dit slaat alles.
Al eerder heb ik me verbaasd over de almaar groeiende populariteit van ADHD-diagnostiek en -medicatie bij volwassenen. Ik meen dat er voldoende reden is voor scepsis bij deze trend. Want ga maar na: een objectieve test voor de kwaal bestaat niet. De
diagnose vindt voornamelijk plaats op basis van zelfgerapporteerde herinneringen aan de kindertijd voor het zevende levensjaar. De voorgeschreven stimulantia vallen onder de
opiumwet en je mag er niet zomaar de grens mee over. De mogelijke
bijwerkingen zijn niet mals. De kwaliteit van het
bewijs van werkzaamheid op de lange termijn laat bovendien te wensen over. Wordt hier door de dames en heren voorschijvers harde wetenschap bedreven, of is het voor hen toch wel handig dat er een label en een pilletje zijn voor mensen die door aandachtsproblemen in de knoei raken?
Al eerder wilde ik hierover in gesprek met 'mevrouw ADHD-bij-volwassenen in Nederland'
Sandra Kooij. Toen zij vernam dat ik daarbij haar banden met de farmaceutische industrie niet onbesproken wilde laten, haakte zij af. Met kritische beschouwingen over het fenomeen hoef je bij psychiaters sowieso niet aan te komen. Een recente
forumdiscussie over de diagnose 'ADHD bij volwassenen' kwam niet van de grond wegens een gebrek aan opponenten. Volgens het congresverslag is 'de strijd om de geloofwaardigheid van de diagnose ADHD een achterhoedegevecht geworden, waar collega's die hun literatuur bijhouden zich niet meer voor lenen.'
Dus moet ik het maar normaal vinden dat aan een willekeurige feestdis bijna de helft van de aanwezigen een DSM-IV geclassificeerde psychiatrische aandoening heeft die met pepmiddelen gekanaliseerd dient te worden? Kennelijk.
Robert Crommentuyn