Goed fout
Driekwart van de Duitse artsen was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van Nazipartij NSDAP. Sommigen gingen vele stappen verder en maakten vuile handen. Nog meer anderen maakten zich hooguit schuldig aan opportunisme.
De Duitse internist Hans-Joachim Sewering (92) valt ergens tussen deze twee categorieën.
In 1933 sloot Sewering zich aan bij de SS en in 1934 werd hij lid van de NSDAP. In 1943 verwees hij als verantwoordelijk arts van een instelling voor geestelijk gehandicapten de 14-jarige Babette Fröwis naar ‘gezondheidscentrum’ Eglfing-Haar. Twee weken later was het meisje dood, een lot dat 300 andere gehandicapten in Eglfing-Haar ook trof.
Na de oorlog had de internist een bloeiende carriere als arts en als bestuurder. Hij schopte het tot voorzitter van de Beierse en van de Duitse Artsenkamer. Bijna werd hij voorzitter van de World Medical Association (WMA).
‘Van de praktijken in Eglfing-Haar heb ik nooit geweten’, zei Sewering toen de zaak-Fröwis begin jaren negentig alsnog voor de rechter kwam. Die geloofde hem op zijn woord en sprak hem vrij. Maar volgens collega-artsen en verpleegkundigen uit die tijd moet hij ervan geweten hebben. De zaak leverde hem een inreisverbod in de Verenigde Staten op en kostte hem het leiderschap van de WMA.
Je zou denken dat artsenclubs zo’n omstreden lid in de luwte houden. Niets is minder waar. In 1996 publiceerde de Duitse Artsenkrant een fraai laudatio wegens zijn 80-ste verjaardag. Geen woord over de oorlog. En in maart kreeg hij de hoogste onderscheiding van internistenvereniging BDI.
De Centrale Raad voor de Joden in Duitsland staat op de achterste benen. ‘Alleen al het SS-lidmaatschap maakt hem ongeschikt voor een onderscheiding.’ De BDI doet alsof haar neus bloedt: ‘Hij heeft de Günther-Budelmann-Medaille gekregen vanwege zijn verdiensten voor het vak.’
Ook na meer dan zestig jaar steken sommigen liever de kop in het zand.
Robert Crommentuyn
De Duitse internist Hans-Joachim Sewering (92) valt ergens tussen deze twee categorieën.
In 1933 sloot Sewering zich aan bij de SS en in 1934 werd hij lid van de NSDAP. In 1943 verwees hij als verantwoordelijk arts van een instelling voor geestelijk gehandicapten de 14-jarige Babette Fröwis naar ‘gezondheidscentrum’ Eglfing-Haar. Twee weken later was het meisje dood, een lot dat 300 andere gehandicapten in Eglfing-Haar ook trof.
Na de oorlog had de internist een bloeiende carriere als arts en als bestuurder. Hij schopte het tot voorzitter van de Beierse en van de Duitse Artsenkamer. Bijna werd hij voorzitter van de World Medical Association (WMA).
‘Van de praktijken in Eglfing-Haar heb ik nooit geweten’, zei Sewering toen de zaak-Fröwis begin jaren negentig alsnog voor de rechter kwam. Die geloofde hem op zijn woord en sprak hem vrij. Maar volgens collega-artsen en verpleegkundigen uit die tijd moet hij ervan geweten hebben. De zaak leverde hem een inreisverbod in de Verenigde Staten op en kostte hem het leiderschap van de WMA.
Je zou denken dat artsenclubs zo’n omstreden lid in de luwte houden. Niets is minder waar. In 1996 publiceerde de Duitse Artsenkrant een fraai laudatio wegens zijn 80-ste verjaardag. Geen woord over de oorlog. En in maart kreeg hij de hoogste onderscheiding van internistenvereniging BDI.
De Centrale Raad voor de Joden in Duitsland staat op de achterste benen. ‘Alleen al het SS-lidmaatschap maakt hem ongeschikt voor een onderscheiding.’ De BDI doet alsof haar neus bloedt: ‘Hij heeft de Günther-Budelmann-Medaille gekregen vanwege zijn verdiensten voor het vak.’
Ook na meer dan zestig jaar steken sommigen liever de kop in het zand.
Robert Crommentuyn
Labels: ethiek
